Oggy

Vorige week was de kat weg. Hij was nog suf van de narcose, want ze hadden die ochtend zijn tanden schoongemaakt bij de dierenkliniek. Het was een chaotische middag, met snelle boodschappen, in-en uitlopende kinderen, van-school-ophaalmisverstanden, belangrijke telefoontjes, een gesprek met een verdrietige vriendin en meerdere voetbaltrainingen. De kat zat temidden daarvan bij te komen, en besloot naar de tuin te wandelen om daar wat meer rust te vinden. Ik zag hem uit mijn ooghoeken naar buiten lopen. En werd meteen weer meegetroond door de waan van de dag. Anderhalf uur en 3 autoritten later, toen ik nog eens keek, was hij verdwenen. Hij was niet meer in de tuin en ook niet in huis.

stress

Mijn eerste reactie was een stressvolle. “Waar is Oggy?!” riep ik, nog helemaal stijf van de adrenaline van de overvolle dag. Opeens stond alles stil. Ik herinnerde me in een flits dat ik hem naar buiten had zien lopen, en ook dat ik dat toen helemaal oké vond. Waarom vond ik dat oké? Hij kon nauwelijks op zijn poten staan. Waarom had ik hem niet even binnen gehouden? En ik wist ook meteen waarom. Ik had er geen aandacht voor gehad. Het was in de maalstroom gebeurd, ik was helemaal niet in staat geweest om op wat voor manier dan ook, te reageren. En nu was Oggy dus weg en ik, zijn liefhebbende baasje, was verantwoordelijk. Hij was naar buiten gewankeld, kwetsbaar en weerloos, en ik had erbij gestaan en ernaar gekeken en niets gedaan. Misschien lag hij wel onder een auto!

Ik liep met tranen in mijn ogen door het huis, om het huis, door de straat. De adrenaline die ik de hele middag al had opgebouwd in de maalstroom, gierde gewillig door mijn lijf, het was dikke paniek. De onvergeeflijke onachtzaamheid dreunde heen en weer door mijn gedachten, hoe had ik zo stom kunnen zijn! Hij was weg. Hij was weg. Wat ik raar vond, was dat verder iedereen zo rustig bleef. Ik maakte me daar kwaad om en maakte me zelfs nog drukker, vanuit verontwaardiging over zo weinig drukmakerij.

me drukmaken

Totdat… ik opeens merkte hoe druk ik mij maakte. Ik herinnerde mij de tweede pijl. Een nare ervaring wordt in deze vergelijking uit de boeddhistische psychologie, gezien als een pijl die op je wordt afgevuurd. In dit geval: Oggy is weg. Dat is al erg genoeg. Daar heb je al behoorlijk je handen aan vol. Maar wat doe wij mensen negen van de tien keer, zeker wanneer we onopmerkzaam zijn? We vuren nog even lekker een tweede pijl op onszelf af! Die pijl is de negatieve gedachte die je krijgt, zoals in dit geval: “hoe kon ik zo stom zijn?” Is de tweede pijl eenmaal raak, dan is de weg vrijgemaakt voor een heel salvo aan pijlen.

(ik had er geen aandacht voor gehad, ik ben veel te chaotisch, waarom heb ik vanmorgen niet gemediteerd, ik heb veel te weinig discipline, ik ben niet geschikt om voor huisdieren te zorgen, laat staan voor kinderen, kijk maar eens hoe beroerd ik ze heb opgevoed, het kan ze niet eens iets schelen dat de kat kwijt is…..)

aandacht

Als ik die ochtend tijd had genomen om even aandachtig mijn dag te beginnen, en mijn ochtendbladzijden had geschreven, en die ochtendbladzijden zoals altijd had geëindigd met de woorden: wat mag ik zijn vandaag? Een mens op deze aarde, druk en ploeterend en onvolmaakt, dan had me dat misschien een hoop pijlen gescheeld. Maar ondanks de vele pijlen, kreeg ik opeens mezelf weer in het oog. Een mens op deze aarde. Druk en ploeterend en onvolmaakt. Die niet gemediteerd heeft vanmorgen. En die lief is. Die heel veel houdt van haar kinderen en haar huisdieren.

adem vertragen

Mijn adem vertraagde, misschien wel voor het eerst die middag. Ik kreeg weer voet aan de grond. Ik keek links van mij, en daar lag Oggy, heerlijk te slapen onder zijn favoriete struikje voor het huis, ver weg van de drukte en drukmakerij. Die had zichzelf al die tijd allang in het oog. En wist gelukkig zelf heel goed wat hij het hardste nodig had. Rust.